Recht op KIA voor maat in maatschap

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) kent een schijventarief. Sinds 1 januari 2010 geldt in de

Lees meer

Recht op KIA voor maat in maatschap

24 augustus 2018

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) kent een schijventarief. Sinds 1 januari 2010 geldt in de derde schijf een vast bedrag aan KIA zolang het investeringsbedrag tussen de onder- en de bovengrens ligt. In 2018 gaat het om een bedrag aan KIA van € 15.863 bij investeringen van meer dan € 56.642, maar niet meer dan € 104.891. Bij investeringen door samenwerkingsverbanden als maatschappen is het totaalbedrag van de investeringen bepalend voor de hoogte van de KIA. Het daarbij behorende bedrag van de KIA wordt verdeeld over de maten.

In een procedure bij de Hoge Raad is in geschil hoe de KIA moet worden berekend voor een ondernemer, die participeert in een maatschap, in het geval door de maatschap investeringen zijn gedaan en door de ondernemer een investering in het buitenvennootschappelijk vermogen is gedaan. De maatschap heeft in 2013 een bedrag van € 40.517 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen. De ondernemer heeft daarnaast € 56.515 geïnvesteerd in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Alle investeringen kwalificeren voor KIA. In 2013 bedroeg de KIA € 15.470 bij investeringsbedragen van meer dan € 55.248, maar niet meer dan € 102.311.

Volgens de staatssecretaris van Financiën is het recht op KIA voor het totaal van de investeringen voor alle maten beperkt tot het vaste bedrag van € 15.470. Het hof verdeelde de investeringen van de maatschap over de maten en telde daar de investering in buitenvennootschappelijk vermogen bij. Daardoor had deze maat recht op het vaste bedrag aan KIA van € 15.470. Het hof merkte op dat de wetgever bij de wijziging van de systematiek van de KIA geen aangepaste rekenregel heeft gegeven, waardoor het systeem niet meer in alle gevallen sluitend is.

Volgens de A-G moet eerst het bedrag van de investeringen worden bepaald. Omdat de onderneming deel uitmaakt van een maatschap moeten de investeringen voor het samenwerkingsverband worden samengeteld. Bij het totaalbedrag aan investeringen van € 97.032 geldt een bedrag aan KIA van € 15.470. De vraag is vervolgens of de ondernemer recht heeft op de (volledige) KIA van € 15.470 of slechts op een deel, naar rato van zijn investering. De A-G meent dat, gezien de tekst van de Wet IB 2001 en gelet op het investeringsbedrag van de ondernemer zelf van € 63.268, de belanghebbende recht heeft op een KIA van € 15.470.

Bron: Hoge Raad | Conclusie AG | ECLINLPHR2018833, 18/00135 | 24-08-2018

Het laatste nieuws

Eigen handtekening onder inkeermelding bewijst opzet

23 juli 2026

Een vrouw ondertekent samen met haar echtgenoot een inkeermelding voor buitenlands vermogen van ruim twee

Lees meer

Geen arbeidskorting bij ZW-uitkering na beëindigde dienstbetrekking

23 juli 2026

Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een

Lees meer

Wet excessief lenen doorstaat eerste toets

23 juli 2026

Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van € 700.000

Lees meer

Vestiging tweede hypotheek is aanleiding voor aansprakelijkheid voor belastingschuld

16 juli 2026

Een holding en haar dga worden aansprakelijk gesteld voor een btw-schuld van een dochter-bv van de

Lees meer